Informatie
Bestuur
Commissies
Jeugd
Lidmaatschap
Baan
Golfschool
Diversen
Inschrijven
Golf Links

Gedragsreglement Golfclub Zeegersloot

15 maart 2007

 

Dit reglement is, als Gedragsreglement volgens artikel 8B van de statuten van de vereniging met volledige rechtspersoonlijkheid GOLFCLUB ZEEGERSLOOT, vastgesteld in de algemene vergadering van 15 mei 2006.

DEFINITIES

Artikel 1.

 
In dit reglement wordt verstaan onder:

  1. de vereniging: Golfclub Zeegersloot, gevestigd te Alphen aan den Rijn;
  2. lid: een lid van de vereniging, zoals vermeld in de statuten en het huishoudelijk reglement;
  3. commissie: de gedragscommissie, bedoeld in artikel 8A van de statuten van de vereniging;
  4. voorzitter: de voorzitter van de commissie;
  5. bestuur: het bestuur van de vereniging;
  6. commissie van beroep: de commissie van beroep, als bedoeld in artikel 8C van de statuten van de vereniging;
  7. klager: degene die een klacht heeft ingediend;
  8. beklaagde: degene tegen wie een klacht zich richt;
  9. evenement: een door of onder auspiciën van de vereniging georganiseerde activiteit, welke voor de toepassing van dit reglement aanvangt op het moment dat het lid het terrein, waarop het evenement wordt georganiseerd heeft betreden of zoveel eerder als het lid zich als deelnemer aan het evenement heeft gemanifesteerd en welke eindigt na afloop van het evenement op het moment waarop het lid het desbetreffende terrein heeft verlaten of zoveel later als het lid zich nadien nog als deelnemer manifesteert. Onder activiteit wordt mede het (sportief) gebruik van de baan en alle overige faciliteiten van het golfcomplex verstaan.

Indien in dit reglement wordt verwezen naar andere artikelen, zijn, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld,
bedoeld de artikelen van dit gedragsreglement.

DE COMMISSIE

Artikel 2.

  1. De commissie is bevoegd te oordelen over klachten als bedoeld in artikel 8B van de statuten van de vereniging, mits deze zijn ingediend door:
    1. het bestuur;
    2. een door het bestuur ingestelde commissie als bedoeld in artikel 2, lid 1, van de statuten van de vereniging;
    3. leden, in het kader van de organisatie van het evenement door de vereniging aangesteld;
    4. in bijzondere gevallen door een lid, mits de klacht zich richt tegen een of meer andere leden in hun hoedanigheid van lid van het bestuur en of van een commissie als bedoeld in artikel 2,
      lid 1, van de statuten.
  2. Aan de rechtspraak van de commissie zijn onderworpen alle in artikel 4 van de statuten in verbinding met de in het huishoudelijk reglement bedoelde personen.
  3. De commissie kan zich in secretariële werkzaamheden door een daartoe aangezocht lid van de vereniging laten bijstaan.
  4. Het kantoor van de vereniging vormt het vestigings- en correspondentieadres van de commissie.

INDIENING VAN KLACHTEN

Artikel 3.

  1. Klachten kunnen worden aanhangig gemaakt bij de commissie uitsluitend door personen of organen als bedoeld in artikel 2, lid 1.
  2. Klachten dienen schriftelijk en voorzien van een deugdelijke toelichting te worden ingediend bij de voorzitter van de commissie, door toezending aan het kantoor van de vereniging, uiterlijk op de vijftiende dag na de (laatste) dag waarop de feiten, die het onderwerp van de klacht vormen, zich hebben voorgedaan. Een klacht ingediend na het verstrijken van bovengenoemde termijn zal niet meer in behandeling mogen worden genomen, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
  3. Indien terzake van het onderwerp van een klacht naast de commissie ook een ander orgaan van de vereniging tot oordelen bevoegd is, kan de commissie de klacht pas in behandeling nemen als de gebruikelijke procedure bij het betreffende orgaan is afgerond.

KLACHTENBEHANDELING

Artikel 4.

  1. Zo mogelijk binnen vijf werkdagen na ontvangst van een klacht zendt de commissie deze in afschrift door aan de beklaagde, tenzij in het geval van toepassing van het tweede lid naar haar oordeel daarvoor geen aanleiding bestaat. Aan de beklaagde wordt een termijn van ten hoogste drie weken gegund om schriftelijk op de klacht te reageren. De commissie is bevoegd om deze termijn, in geval de omstandigheden daartoe naar haar oordeel aanleiding geven, eenmaal te verlengen met twee weken.
  2. Dadelijk na ontvangst van een klacht bepaalt de voorzitter, dan wel een door deze aangewezen ander lid van de commissie, of de klacht kennelijk niet ontvankelijk, dan wel de commissie tot behandeling ervan kennelijk niet bevoegd is.
    Tegen een beslissing houdende kennelijke niet ontvankelijkheid of kennelijke onbevoegdheid kan de klager binnen zeven werkdagen na de ontvangst van die beslissing schriftelijk bezwaar maken. Op de indiening van dat bezwaarschrift is, met uitzondering van de aldaar vermelde termijn, het bepaalde in artikel 3, lid 2, van overeenkomstige toepassing.
  3. Een bezwaarschrift volgens het voorgaande lid wordt steeds door de commissie in meervoudige samenstelling behandeld.
  4. Indien de commissie een bezwaarschrift gegrond oordeelt, volgt alsnog toezending van de klacht overeenkomstig lid 1, indien zulks nog niet zou zijn gebeurd.
  5. Na ontvangst van het schriftelijke verweer zijdens de beklaagde, althans na het verstrijken van de voor indiening daarvan door de commissie gestelde termijn, bepaalt de commissie of de klacht op de ingediende stukken wordt afgedaan, of dat een behandeling van de klacht op een zitting wordt bevolen. In het geval
    (een van de) partijen daarom verzoek(t)en, of indien geen schriftelijk verweer werd ingediend, wordt steeds een mondelinge behandeling bevolen. Van het verhandelde op een zitting van de commissie wordt een verslag opgesteld.
  6. De behandeling van klachten door de commissie is niet openbaar.
  7. Na indiening van het verweer door klager, of, indien een mondelinge behandeling wordt bevolen, na sluiting van die mondelinge behandeling, is de klachtbehandeling gesloten, tenzij de commissie anders oordeelt.
    Na afsluiting van de klachtbehandeling doet de commissie zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen drie weken, schriftelijk uitspraak.
  8. De commissie zendt partijen afschrift van de uitspraak, onder vermelding van de termijn en wijze van instelling van beroep volgens het bepaalde in artikel 7. Het bestuur ontvangt een afschrift van iedere uitspraak.

SPOEDEISENDE ZAKEN

Artikel 5.

  1. In die gevallen, waarin naar het oordeel van de commissie van een voldoende spoedeisend belang is
    gebleken, en de klager daarom heeft verzocht, kan de voorzitter, dan wel een door deze aan te wijzen ander lid van de commissie een oordeel vellen.
  2. Op een procedure volgens het voorgaande lid zijn de voorschriften van artikel 4 niet van toepassing.
    Het verloop van een procedure volgens het voorgaande lid wordt door de voorzitter, dan wel door diens vervanger die de zaak behandelt, bepaald.
  3. Als de voorzitter of diens plaatsvervanger tot het oordeel komt dat een maatregel moet worden opgelegd, anders dan een waarschuwing of een onvoorwaardelijke uitsluiting van deelneming voor de duur van maximaal drie weken aan evenementen of wedstrijden, verwijst hij de zaak voor verdere behandeling en afdoening naar de commissie. In de andere gevallen beslist de voorzitter dan wel diens plaatsvervanger zelf.
  4. Tegen een oordeel in spoedzaken staat voor partijen beroep open op de commissie van beroep op dezelfde wijze als tegen een beslissing volgens artikel 4.
  5. De voorzitter, dan wel diens plaatsvervanger die de zaak behandelde, is verplicht het oordeel in spoedzaken, op schrift te stellen. Als het een spoedprocedure betreft, kan volstaan worden met een summiere motivering.
  6. Het bepaalde in de leden 2 en 4 van artikel 6, is in spoedzaken van overeenkomstige toepassing.

MAATREGELEN

Artikel 6.

  1. De commissie is bevoegd tot het opleggen van de maatregelen vermeld in de statuten onder artikel 8A,
    lid 1 en 2.
  2. Per ingediende klacht kan slechts één maatregel worden opgelegd. De commissie kan bepalen dat afzonderlijk ingediende klachten als één klacht worden aangemerkt en afgedaan.
  3. De in het eerste lid bedoelde maatregelen kunnen voorwaardelijk worden opgelegd. Aan een voorwaardelijke veroordeling wordt een proeftijd verbonden van ten hoogste twee jaren, ingaande de datum waarop de beroepstermijn ongebruikt is verstreken dan wel de beslissing van de commissie van beroep is gedagtekend. Aan een zodanige veroordeling kan slechts de voorwaarde worden verbonden dat betrokkene zich binnen de proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan klachtwaardig handelen of nalaten in de zin van dit reglement. In het kader van een klachtbehandeling tegen een beklaagde, ten aanzien van wie nog een proeftijd loopt, geeft de commissie, naast haar beslissing op de nieuwe klacht, een oordeel over de eerder voorwaardelijke opgelegde maatregel en verlenging van de lopende proeftijd met een maximum van een jaar.
  4. De commissie kan bepalen dat, indien een maatregel wordt opgelegd, haar uitspraak, al dan niet anoniem, wordt gepubliceerd in het officiële orgaan van de vereniging.
  5. Zolang de termijn van artikel 7, lid 1, niet is verstreken en indien beroep is ingesteld, wordt, tenzij het betreft een oordeel in spoedzaken, een opgelegde maatregel niet ten uitvoer gelegd, tenzij de commissie anders bepaalt.

BEROEP

Artikel 7.

  1. Ieder van partijen kan, binnen vier weken na de ontvangst van een beslissing van de commissie volgens artikel 4 of artikel 5, daartegen schriftelijk en gemotiveerd in beroep komen bij de commissie van beroep, door toezending van een beroepschrift aan de voorzitter van de commissie van beroep, bedoeld in artikel 8C van de statuten.
  2. Op de wijze van behandeling van het beroep is het gestelde in artikel 4 zoveel mogelijk, van overeenkomstige toepassing.
  3. Als het een beroep betreft tegen een oordeel in spoedzaken, als bedoeld in artikel 5, kan de commissie van beroep dadelijk na ontvangst van het beroepschrift een mondelinge behandeling bevelen teneinde de afdoening van het beroep te bespoedigen.

SLOTBEPALING

Artikel 8.

 
In die gevallen waarin dit reglement niet voorziet beslist de commissie of in beroep de commissie van beroep.